Woordhulp · NT2 & woordenschat
Woordhulp: energie thuis
Dit blad helpt je bij de les en het werkblad. Lees de woorden. Schrijf het woord in jouw taal erbij.
- de energiewat je gebruikt om iets te laten werken; je meet het in kWh
- het vermogenhoe snel een apparaat energie gebruikt; je meet het in watt
- de wattde eenheid van vermogen (W)
- de kilowattuurde eenheid van energie thuis (kWh); 1 kW gedurende 1 uur
- het apparaateen ding dat werkt op stroom, bijvoorbeeld een föhn
- de metertelt hoeveel stroom je gebruikt
- de rekeninghet papier waarop staat hoeveel je moet betalen
- het zonnepaneeleen plaat op het dak die zonlicht omzet in stroom
- besparenminder gebruiken, zodat je minder betaalt
- opwekkenzelf maken, bijvoorbeeld stroom met zonnepanelen
- de gloeilampeen oude lamp die veel energie gebruikt
- de LED-lampeen zuinige lamp die weinig energie gebruikt
Zinstarters
- Het vermogen van … is … watt.
- Energie = vermogen × tijd, dus …
- Dat kost … kWh × € 0,35 = …
- Je bespaart energie door … te doen.
Stappenplan: energie en kosten
- Reken het vermogen om naar kilowatt: watt ÷ 1000.
- Energie = vermogen (kW) × tijd (uur). Dat is het aantal kWh.
- Kosten = aantal kWh × € 0,35.