Naar de inhoud
Actuales

Woordhulp · NT2 & woordenschat

Woordhulp: energie thuis

Niveau:groep 5/6groep 7groep 8vmbo 1vmbo 2vmbo 3havo 1havo 2havo 3vwo 1vwo 2vwo 3

Dit blad helpt je bij de les en het werkblad. Lees de woorden. Schrijf het woord in jouw taal erbij.

  • de energiewat je gebruikt om iets te laten werken; je meet het in kWh
  • het vermogenhoe snel een apparaat energie gebruikt; je meet het in watt
  • de wattde eenheid van vermogen (W)
  • de kilowattuurde eenheid van energie thuis (kWh); 1 kW gedurende 1 uur
  • het apparaateen ding dat werkt op stroom, bijvoorbeeld een föhn
  • de metertelt hoeveel stroom je gebruikt
  • de rekeninghet papier waarop staat hoeveel je moet betalen
  • het zonnepaneeleen plaat op het dak die zonlicht omzet in stroom
  • besparenminder gebruiken, zodat je minder betaalt
  • opwekkenzelf maken, bijvoorbeeld stroom met zonnepanelen
  • de gloeilampeen oude lamp die veel energie gebruikt
  • de LED-lampeen zuinige lamp die weinig energie gebruikt

Zinstarters

  • Het vermogen van … is … watt.
  • Energie = vermogen × tijd, dus …
  • Dat kost … kWh × € 0,35 = …
  • Je bespaart energie door … te doen.

Stappenplan: energie en kosten

  1. Reken het vermogen om naar kilowatt: watt ÷ 1000.
  2. Energie = vermogen (kW) × tijd (uur). Dat is het aantal kWh.
  3. Kosten = aantal kWh × € 0,35.