Naar de inhoud
Actuales

Woordhulp · NT2 & woordenschat

Woordhulp: energie thuis

Niveau:groep 5/6groep 7groep 8vmbo 1vmbo 2vmbo 3havo 1havo 2havo 3vwo 1vwo 2vwo 3

Dit blad helpt je bij de les. Lees de woorden. Schrijf het woord in jouw taal erbij.

  • de stroomde elektriciteit waar apparaten op werken
  • het apparaateen ding dat werkt op stroom, bijvoorbeeld een föhn
  • de metertelt hoeveel stroom je thuis gebruikt
  • de kilowattuur (kWh)waarin de meter telt; hierin staat je verbruik
  • het verbruikhoeveel stroom je gebruikt
  • veel / weinigeen grote hoeveelheid / een kleine hoeveelheid
  • besparenminder gebruiken, zodat je minder betaalt
  • uitzettenhelemaal uitdoen (niet op stand-by laten)
  • de rekeninghet papier waarop staat hoeveel je moet betalen
  • de LED-lampeen zuinige lamp die weinig stroom gebruikt

Zinstarters

  • De … gebruikt het meeste stroom per jaar.
  • De … gebruikt het minste stroom per jaar.
  • Ik bespaar stroom door … uit te zetten.
  • 150 kWh + 200 kWh = … kWh.

Stappenplan: de grafiek aflezen

  1. Kies een apparaat onderaan de grafiek.
  2. Ga met je vinger naar de bovenkant van de balk.
  3. Lees het getal (in kWh per jaar) dat erbij hoort.